Kopzorgen gemeenten over jeugdbudget ‘opvallend’

Bron: VWS 161103 purse-522622_960_720

Het is ‘heel interessant’ dat gemeenteambtenaren de grootste zorgen hebben over de jeugdhulp, ‘terwijl wij nu weten dat er in het eerste jaar 1,2 miljard voor Wmo en Jeugd niet is uitgegeven door gemeenten.’ Dat stelt staatssecretaris Martin van Rijn (VWS, PvdA) in een reactie op het onderzoek van Binnenlands Bestuur.

Het is ‘heel interessant’ dat gemeenteambtenaren de grootste zorgen hebben over de jeugdhulp, ‘terwijl wij nu weten dat er in het eerste jaar 1,2 miljard voor Wmo en Jeugd niet is uitgegeven door gemeenten.’ Dat stelt staatssecretaris Martin van Rijn (VWS, PvdA) in een reactie op het onderzoek onder ambtenaren die werkzaam zijn in het sociaal domein.

Kwaliteit voorop

De staatssecretaris benadrukt nogmaals dat het grote overschot vragen oproept en dat hij daarover snel met gemeenten in gesprek wil. ‘In ieder geval moet na de grote aandacht die we de laatste jaren hebben gehad voor de centen vanaf nu de kwaliteit van de zorg bovenaan elke agenda staan. Alle aandacht kan en moet gericht zijn op goede persoonsgerichte ondersteuning, hulp en zorg voor alle jongeren en ouderen die dat nodig hebben.’

Minder versnipperd

De ambtelijke zorgen gaan niet alleen over het budget, maar ook over het gebrek aan voldoende sturingsinformatie, te weinig zicht op cliënten en de gevolgen voor de inwoners, zo komt in het onderzoek van Binnenlands Bestuur, uitgevoerd door I&O Research, naar voren. Eén op de vijf ambtenaren geeft aan dat de overheveling van de jeugdzorgtaken van rijk en provincie naar gemeenten (grote) negatieve gevolgen voor burgers met zich meebrengt. ‘Het is heel belangrijk om oog te blijven houden voor wat er op het terrein van jeugd wordt bereikt. Het was heel versnipperd en inmiddels zit er door de nieuwe centrale rol van gemeenten veel meer samenhang in’, aldus Van Rijn.

Scherper zicht

‘Omdat we er allemaal zoveel aandacht voor hebben en er hard aan werken, hebben we ook scherper zicht op wat er nog niet goed gaat. Ik kan me goed voorstellen dat dat soms leidt tot hoofdbrekens. Maar ondertussen plukken kinderen en hun ouders de vruchten van de enorme inspanningen die door alle betrokkenen worden gedaan. En dat is het allerbelangrijkste.’